PEPER EN ZOUT

Eén keer in de paar maanden ga ik naar de kapper. Niet bepaald mijn hobby. Meestal moet mijn beste vriendin me er terloops en tactisch op attent maken dat het hoog tijd wordt dat de schaar erin wordt gezet. Ik vind het ook absoluut oninteressant, dat haar, Het boeit me totaal niet wat anderen ervan vinden. Ik wil het gewoon zo makkelijk mogelijk hebben.

Daarom heb ik al sinds mijn vroege jeugd kort haar. Ik ging toen naar de herenkapper (ook weer zo'n voorbeeld dat het mijn ouders ook niet boeide) en ze noemden het toen een rattekop, Het zorgde ervoor dat ik lang voor een jongen werd aangezien, zeker als ik begin jaren 60 als enig meisje buiten aan het voetballen was. Meisjes kunnen niet voetballen, zeiden ze toen maar ik scoorde net zo makkelijk als dat Lieke Martens 50 jaar later in het Nederlands Elftal zou doen en mocht daarom altijd gewoon meedoen met de jongens. 

Maar goed, ik zit dus afgelopen donderdag bij de kapper en dan komen de bekende vragen:

Hoe wil je het hebben?
Wil je de oren vrij?
In de nek opgeknipt? 
Hoeveel mag er af?

En alles wat ik kan bedenken is: Zoek het zelf maar uit. Jij bent de kapster. Maar dat zeg ik natuurlijk niet. Niet omdat ik vind dat het niet kan, maar omdat omdat ik in 60+ jaar wel heb geleerd dat je zoiets niet zegt. Waarom niet is me nog altijd een even groot raadsel. Ik zeg dus netjes ja op die vrije oren (waardoor iedereen kan zien dat ik gehoorapparaten draag maar ook dat boeit me niet) en maak een gebaar waardoor de kapster kan begrijpen dat mijn haar aan de voorkant altijd naar links wordt gekamd. Als ik er tenminste aan denk om er een kam of borstel doorgeen te halen.

Ik zit dus op die geweldige stoel die comfortabel zou kunnen zijn maar die altijd en bij elke kapper net iets te hoog staat om mijn voeten op de grond of de stang te kunnen zetten. Ik voel aan de handbeweging van de kapster als ik omhoog of omlaag moet kijken en werk uiteraard mee. 

Dan, als ik naar beneden kijk en de tondeuse in mijn oor jengelt (waar gelukkig geen gehoorapparaat zit in verband met doorknipgevaar), zie ik het en even denk ik dat mijn haar nog kletsnat is van de douche van drie uur daarvóór. Op de kapmantel liggen plukken haar die nergens anders vandaan kunnen komen dan van mijn hoofd, Toch kan dat niet, Ik ben immers 70 en mijn bruine haar is al jaren grijs. Verbaasd staar ik naar de haren tot de hand van de kapster mijn hoofd naar boven duwt. Niet veel later is ze gelukkig klaar en kan ik betalen en weg wezen.

In de auto vertel ik mijn vriendin over mijn ontdekking. Ze bevestigt dat mijn haar niet helemaal grijs is maar 'peper en zout', net zoals bij mijn vader. Het bevestigt nog eens hoeveel ik op hem lijk. Ik ben dus duidelijk niet van de melkboer.

Hoe komt het dat ik elke morgen wel even in de spiegel kijk en toch nooit heb gezien dat mijn haar niet van één kleur is? Gelukkig weet ik sinds kort het antwoord: Afantasie. (Google er maar eens op.) Op het moment dat ik in de spiegel kijk, denk ik bijna nooit na over wat ik zie. Enige uitzondering is als ik ergens in mijn gezicht een wondje heb of zo. Dan kijk ik gericht en kan ik er eventueel een pleister op plakken. Maar zodra ik wegkijk van de spiegel, kan ik niet meer beschrijven hoe ik er zelf uit zie. 

Nu ik steeds meer te weten kom over het niet in beelden kunnen denken, wordt alles stukje bij beetje duidelijk. Allerlei herinneringen aan mijn middelbare schooltijd, waarin ik elke dag bij het wisselen van lokalen de meute achterna moest lopen omdat ik anders, ook na 4 jaar, niet wist waar ik heen moest. Ook herinneringen aan alle opmerkingen vanaf de passagiersstoel van mijn auto als ik niet meer wist waar ik was terwijl ik er dagelijks of wekelijks kwam. Ik ben blij met het etiketje. Niet omdat ik me dan kan verantwoorden bij anderen maar omdat ik het nu zelf begrijp en herken.




Reacties

Populaire posts van deze blog

AFANTASIE? ZEKER WETEN!

AFANTASIE IN HET KWADRAAT

IK BEN NIET GEK